Inzet van voormalig zorgpersoneel:´nood breekt wet´

Voor de continuïteit van de zorg is het belangrijk dat er voldoende en gekwalificeerd zorgpersoneel beschikbaar is. Door de ´coronavirus COVID-19 pandemie´ kan een punt worden bereikt waarin door overmacht tekorten aan personeel ontstaan. Hierdoor kan sprake zijn van een noodsituatie. Huidige wettelijke kaders zoals ´onbevoegden laten werken onder supervisie van een bevoegde zorgverlener´ bieden onvoldoende ruimte om juist te handelen. Nood breekt wet! Daarom is verruimde tijdelijke regelgeving opgesteld.

In lijn met de oproep van o.a. V&VN en het advies van KNMG is de regelgeving rondom het aanstellen van voormalig zorgpersoneel versoepeld (zie Kamerbrief 17 maart 2020). VWS heeft met V&VN, KNMG en de IGJ een kader met voorwaarden om tijdelijk voormalig zorgpersoneel in te zetten opgesteld. Dit kader ziet op verpleegkundigen niet-praktiserend en artsen niet-praktiserend (bedoeld worden zowel artikel 3 als artikel 14 Wet BIG beroepsbeoefenaren).

Algemeen geldende voorwaarden

  • Zelfstandige inzet verpleegkundigen en artsen niet-praktiserend uitsluitend mogelijk indien BIG-registratie ná 1 januari 2018 verlopen is en zijn/haar vaardigheid voldoende aanwezig is. (!)
  • Personen die niet meer zijn ingeschreven in het BIG-register doordat zij ooit door de (tucht)rechter zijn doorgehaald of anderszins een van kracht zijnde beroepsbeperkende maatregel is aangetekend, mogen niet worden ingezet. (!)
  • Patiënten dienen altijd adequaat door zorgverleners te worden voorgelicht door wie zij worden geholpen.

Inzet verpleegkundigen-niet-praktiserend met een ná 1 januari 2018 verlopen BIG-registratie

Naast bovenstaande algemene voorwaarden voor zelfstandige inzet verpleegkundigen niet-praktiserend geldt nog het volgende.

  • Inzet alleen indien noodzakelijk. Dat wil zeggen als het door de noodsituatie niet mogelijk is de zorg op te dragen aan ter zake bekwame BIG-geregistreerde zorgverleners, kan deze zorg overgedragen worden aan verpleegkundigen-niet-praktiserend.
  • Verpleegkundigen-niet-praktiserend met de meest recente praktijkervaring worden bij voorkeur als eerste ingezet.
  • Verpleegkundigen-niet-praktiserend moeten hun bekwaamheid zoveel mogelijk zelf aantonen en worden zoveel mogelijk ingezet in de niet-complexe zorg en in de zorg die aansluit bij hun meest recente werkervaring. In overleg met de werkgever wordt gekeken of een korte aanvullende training noodzakelijk is.

Inzet verpleegkundigen-niet-praktiserend bij voorbehouden handelingen

  • Er worden duidelijke afspraken gemaakt tussen de BIG-geregistreerde zorgverlener en de verpleegkundigen-niet-praktiserend over welke (voorbehouden) handelingen mogen worden verricht.
  • Voor het verrichten van voorbehouden handelingen wordt indien mogelijk voor toezicht en tussenkomst gezorgd door bevoegde zorgverleners.
  • Er dienen adequate opdrachten gegeven te worden door de daartoe bevoegde zorgverleners. Daarbij moeten zij voldoende zicht hebben op de benodigde bekwaamheid van de verpleegkundigen-niet-praktiserend.
  • De verpleegkundigen-niet-praktiserend bewaken de grenzen van eigen kennen en kunnen.

Inzet verzorgenden en verpleegkundigen niet-praktiserend met een vóór 1 januari 2018 verlopen BIG-registratie

Voormalig verzorgenden en verpleegkundigen-niet-praktiserend met een vóór 2018 verlopen BIG-registratie kunnen niet zelfstandig worden ingezet. Onder supervisie van een bevoegde zorgverlener kan deze groep voormalig verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten wel worden ingezet. V&VN ontwikkelt hiervoor een praktische handreiking voor (oud-)verpleegkundigen en (oud-)verzorgenden. Deze verschijnt binnenkort op de V&VN website.

Hoewel niet expliciet genoemd raden wij aan om ook voor deze zorgverleners de regel toe te passen dat indien hun inschrijving destijds door de (tucht)rechter is doorgehaald of anderszins een beroepsbeperkende maatregel is opgelegd, zij niet ingezet kunnen worden.

Inzet artsen niet-praktiserend met een ná 1 januari 2018 verlopen BIG-registratie

Naast de eerder genoemde algemene voorwaarden voor de inzet van niet praktiserend zorgpersoneel geldt het volgende:

  • Inzet alleen indien noodzakelijk. Dat wil zeggen als het door de noodsituatie niet mogelijk is de zorg op te dragen aan ter zake bekwame BIG-geregistreerde zorgverleners, kan deze zorg worden overgedragen aan artsen-niet-praktiserend. KNMG geeft daarbij nog aan dat noodzakelijk ook wil zeggen: wanneer het niet verantwoord is de zorg op te dragen aan gekwalificeerde en BIG-geregistreerde niet-artsen, zoals physician assistants, verpleegkundig specialisten of (gespecialiseerde) verpleegkundigen.
  • Artsen-niet-praktiserend met de meest recente praktijkervaring worden bij voorkeur als eerste ingezet.
  • Artsen-niet-praktiserend moeten hun bekwaamheid zoveel mogelijk zelf aantonen en worden zoveel mogelijk ingezet in de niet-complexe zorg en in de zorg die aansluit bij hun meest recente werkervaring. In overleg met de werkgever wordt gekeken of een korte aanvullende training noodzakelijk is.

Inzet artsen-niet-praktiserend bij voorbehouden handelingen

  • Er worden duidelijke afspraken gemaakt tussen de BIG-geregistreerde zorgverleners en de artsen-niet-praktiserend over welke (voorbehouden) handelingen zij mogen verrichten. KNMG stelt in het verlengde hiervan dat zorg zo gericht mogelijk moet worden verleend.
  • Voor het verrichten van voorbehouden handelingen wordt indien mogelijk voor toezicht en tussenkomst gezorgd door bevoegde zorgverleners. Echter, de arts-niet praktiserend mag deze ook verrichten zonder toezicht en tussenkomst.
  • De arts-niet-praktiserend mag, indien de situatie hierom vraagt, adequate opdrachten geven aan andere zorgverleners.
  • De arts-niet-praktiserend bewaakt de grenzen van het eigen kennen en kunnen.

Enkele aanvullingen van de KNMG zijn hiervoor al aangehaald. Raadpleeg alle in voorwaarden die de KNMG stelt om een goede kwaliteit en veiligheid van zorg te borgen hier: Voorwaarden inzet coassistenten en artsen/geneeskundig specialisten-niet-praktiserend in tijden van nood’. In dit document staat ook in hoe omgegaan dient te worden met de inzet van coassistenten en de inzet van artsen niet-praktiserend met een vóór 1 januari 2018 verlopen BIG-registratie.

Richtlijnen van het ministerie van VWS en de KNMG zijn normen waaraan ook de (tucht)rechter het handelen zal toetsen!

Wij helpen u graag bij het schriftelijk vastleggen van de afspraken met het voormalig zorgpersoneel, waarbij o.a. ook de verplichtingen uit de Wkkgz en AVG meegenomen zullen worden.

Opschorting herregistratieplicht van alle artikel 3 Wet BIG-beroepsbeoefenaren

Om te voorkomen dat in deze noodsituatie zorgverleners uit het BIG-register worden gehaald, en daardoor hun bevoegdheden verliezen, wordt de herregistratieplicht tot nader order opgeschort. Dit betekent dat niet tot doorhaling van de inschrijving van de zorgverlener overgegaan wordt als de periode van vijf jaar is overschreden, zonder aan te tonen dat zij voldoende werkervaring hebben. Het gaat om de volgende beroepen (artikel 3 Wet BIG):

  • arts
  • tandarts
  • apotheker
  • GZ-psycholoog
  • psychotherapeut
  • verpleegkundige
  • fysiotherapeut
  • verloskundige
  • physician assistant
  • orthopedagoog-generalist

IGJ laat (handhaving) termijnen voor meldingen en verzoeken los

De IGJ verleent standaard uitstel aan instellingen, zorgverleners en fabrikanten/leveranciers van medische producten, als zij zich niet kunnen houden aan de normale termijnen voor:

  • wettelijk verplichte meldingen (o.a.: melding calamiteit, geweld of disfunctioneren ex artikel 11 Wkkgz en artikel 4.1.8 Jeugdwet en melding gedwongen medicatie jeugdige ex artikel 6.3.2 Jeugdwet); en
  • om te reageren op verzoeken van de inspectie (bijvoorbeeld voor het geven van een reactie op een inspectierapport of het inleveren van een onderzoeksrapportage n.a.v. een calamiteit).

Het is niet nodig uitstel aan te vragen en de IGJ zal ook niet op verzoeken reageren, omdat uitstel wordt automatisch verleend.

De IGJ kan geautomatiseerde standaardbrieven met termijn niet direct aanpassen. De standaard opgenomen termijnen hoeven niet nageleefd te worden. De IGJ zal geen herinneringen sturen, maar kan na het verstrijken van de termijn wel contact opnemen om de voortgang te bespreken.

Indien toch een snellere reactie nodig is omdat er grote risico’s voor de zorg zijn, krijgt de zorgverlener dat van de IGJ te horen.

In het verlengde van het voorgaande zal de IGJ voorlopig geen boete opleggen als een instelling, zorgverlener of fabrikant/leverancier zich niet aan een termijn kan houden voor het voldoen aan een verplichting (zoals het melden van een calamiteit).

Tekort medische hulpmiddelen: beschermingsmiddelen voor zorgmedewerkers en landelijke coördinatie

Bescherming van alle hulpverleners, in elke sector van de zorg, is het uitgangspunt als het aankomt op  het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Desondanks is op 12 maart jl. een motie aangenomen met het verzoek om ook de thuiszorg en wijkverpleegkundigen te voorzien van beschermingsmiddelen voor de verzorging van cliënten die symptomen van COVID-19 of een andere infectieziekten hebben (Tweede Kamer 2019-2020, Kamerstuk 25295, nr. 143). Er is namelijk een tekort aan verschillende beschermingsmiddelen.

Nu de situatie ten aanzien van bepaalde beschermingsmiddelen en medische hulpmiddelen dermate nijpend is, vindt vanaf heden de inkoop, herverdeling en distributie van bepaalde middelen landelijk plaats. Eenieder dient zich voor onbepaalde tijd aan deze landelijke aanpak te houden. Distributie van beschermingsmiddelen vindt plaats via het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). Het gaat vooralsnog om de volgende beschermingsmiddelen:

  • FFP 1, 2 en 3 maskers
  • schorten
  • handschoenen
  • beschermingsbrillen
  • chirurgische maskers
  • desinfectantia
  • diagnostische testen (inclusief PCR-materiaal, swabs en media)
  • beademingsapparatuur

Verder werd er aanvankelijk aangestuurd op een publieke oproep om vrijwillig niet-gebruikte mondneusmaskers in te leveren voor gebruik in de zorg. Dit heeft vooralsnog onvoldoende effect gehad, waardoor minister Bruins tijdens het Kamerdebat op woensdag 18 maart 2020 heeft aangekondigd dat er een invorderingsbesluit zal komen. Deze noodverordening zou al klaarliggen; zodra deze wordt gepubliceerd zullen wij dit bericht aanvullen.

Bekijk ook het artikel ´Corona & financiering van zorg´.