Wetsvoorstel inzake het wijzigen van re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar van werknemers bij kleine en middelgrote werkgevers

2 juni 2026

Het doel van dit wetsvoorstel is om kleine en middelgrote werkgevers wendbaarder te maken door eerder duidelijkheid te geven tot wanneer zij de eigen functie van een zieke werknemer beschikbaar moeten houden. Daardoor kunnen zij eerder tot vervanging overgaan. Hieronder worden de belangrijkste elementen van het wetsvoorstel besproken, maar eerst volgt een korte toelichting op het huidige stelsel.

Huidige stelsel

In het huidige stelsel geldt bij een zieke werknemer voor een periode van 104 weken de verplichting om loon door te betalen met re-integratieverplichtingen. Ook geldt er gedurende (tenminste) twee jaar een opzegverbod.

Werkgever en werknemer zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de re-integratie. Het doel is dat de werknemer structureel terugkeert in passend werk dat aansluit bij zijn resterende mogelijkheden. Daarbij wordt eerst bezien of terugkeer bij de eigen werkgever mogelijk is, in de eigen functie, in aangepast werk of in ander passend werk (Spoor 1 re-integratietraject).

Ontbreekt door ziekte of gebreken het perspectief op duurzame werkhervatting binnen de eigen organisatie, dan moet bij aanwezige arbeidsmogelijkheden een adequaat re-integratietraject worden gestart buiten de eigen organisatie (Spoor 2 re-integratietraject). Dit dient uiterlijk binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie plaats te vinden, te weten zes weken na de eerste 46-52 weken van het ziekteverzuim. Na de eerstejaarsevaluatie kan het Spoor 2 re-integratietraject alleen achterwege blijven als er concreet uitzicht is op werkhervatting binnen drie maanden in het Spoor 1 re-integratietraject. De kosten voor de uitvoering van Spoor 2 re-integratietraject worden eveneens betaald door de eigen werkgever (eventueel via een private verzekering).

Voorgestelde wijzigingen

i. Duidelijk moment afsluiting Spoor 1 re-integratietraject

Kleine en middelgrote werkgevers krijgen de mogelijkheid vanaf de start van het tweede ziektejaar (uiterlijk in de 52e ziekteweek) zich alleen te richten op re-integratie in het tweede spoor. De werkgever kan het Spoor 1 re-integratietraject echter niet zonder meer (eenzijdig) beëindigen. Uitgangspunt is dat werkgever en werknemer gezamenlijk besluiten het Spoor 1 re-integratietraject af te sluiten en dit schriftelijk vastleggen. De werknemer krijgt vervolgens een bedenktermijn van in beginsel 14 dagen.

Het voordeel hiervan is dat de werkgever in het geval van afsluiting van het Spoor 1 re-integratietraject de (eigen) functie van de werknemer niet meer beschikbaar hoeft te houden (ook niet na volledig herstel). De werkgever heeft dan de mogelijkheid een vervanger op de bedongen arbeid van de zieke werknemer aan te nemen. In het tweede ziektejaar is dan de re-integratie van de zieke werknemer volledig gericht op het Spoor 2 re-integratietraject. Wanneer de werknemer in het tweede ziektejaar volledig herstelt, moeten de werkgever en werknemer zich voor de resterende duur van het tweede jaar blijven inspannen voor de werkhervatting van de werknemer bij een andere werkgever.

ii. Vervangende toestemming UWV en gang naar de rechter

Als partijen geen overeenstemming bereiken en de werkgever alsnog het Spoor 1 re-integratietraject wil afsluiten, dan dient de werkgever daarvoor uiterlijk in de 42e ziekteweek toestemming te vragen aan het UWV. Het UWV voert drie toetsen uit:

  • Is sprake van arbeidsongeschiktheid?
  • Zijn de re-integratieinspanningen gedurende het eerste ziektejaar voldoende?
  • Zijn er mogelijkheden voor werkhervatting in het eerste spoor binnen 13 weken? Deze laatste toets geldt niet in het geval de werknemer aan het eind van het eerste ziektejaar in het geheel nog niet aan het werk is. 

Als partijen het niet eens zijn met het oordeel van het UWV kunnen zij naar de kantonrechter (dus geen bezwaar/beroep):

  • Als de werknemer het niet eens is met het oordeel van het UWV om het eerste spoor af te sluiten kan hij de kantonrechter verzoeken om de werkgever te veroordelen tot hervatting van het eerste spoor.
  • Als de werkgever het niet eens is met een weigering van het UWV om het eerste spoor af te sluiten kan de werkgever de kantonrechter om vervangende toestemming vragen.

iii. Nieuwe ontslaggrond

In het wetsvoorstel wordt een nieuwe ontslaggrond gecreëerd voor de situatie waarin het Spoor 1 re-integratietraject  na een jaar is afgesloten. De kleine of middelgrote werkgever kan zich daarop beroepen, zowel in de situatie dat de werknemer nog ziek is als in de situatie dat de werknemer volledig is hersteld. Kleine en middelgrote werkgevers dienen bij een aanvraag op basis van de nieuwe ontslaggrond allereerst aannemelijk te maken dat sprake is van een redelijke grond voor ontslag. Van een redelijke grond voor ontslag op basis van de nieuwe ontslaggrond kan sprake zijn indien het Spoor 1 re-integratietraject, in overeenstemming tussen werkgever en werknemer of met toestemming van UWV na het eerste  ziektejaar, is afgesloten. Bij ontslag toetst het UWV – alleen bij middelgrote ondernemingen – ook of er herplaatsingsmogelijkheden zijn.

Het wetsvoorstel is momenteel alleen ingediend bij de Tweede Kamer. Of, wanneer en in welke vorm het wordt aangenomen, is nog onzeker. Uiteraard houden wij jullie hiervan op de hoogte.