Recht op provisie dat is ontstaan in referteperiode telt mee voor transitievergoeding

28 november 2025

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in haar uitspraak van 24 juli 2025 nadere uitleg gegeven aan de bewoordingen “verschuldigd in de twaalf maanden voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst” in het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (Besluit). De kern van die uitleg is dat bij de berekening moet worden uitgegaan van provisie die is verdiend “over” (en niet “in”) de referteperiode.

Feiten

De werknemer is op 26 augustus 1996 in dienst getreden bij de werkgever tegen een vast maandelijks salaris. Vanaf 2001 zijn partijen een provisieregeling overeengekomen. Kort gezegd hield deze regeling in dat de werknemer aanspraak had op provisie indien en voor zover per kalenderjaar een bepaald drempelbedrag aan honoraria werd behaald. In de praktijk werd de provisie steeds na afloop van ieder kwartaal berekend en als voorschot uitbetaald, waarna deze aan het begin van het daaropvolgende jaar definitief werd vastgesteld.

De arbeidsovereenkomst is door middel van een vaststellingsovereenkomst per 1 oktober 2021 beëindigd in verband met bedrijfsbeëindiging wegens pensionering van de werkgever. De werknemer ontving van de werkgever een transitievergoeding van EUR 72.131,20. De werkgever heeft vervolgens bij het UWV compensatie voor deze transitievergoeding aangevraagd. Het UWV heeft echter slechts een bedrag van EUR 55.868,64 aan compensatie toegekend.

Bij de berekening van de transitievergoeding heeft het UWV de provisie over het derde kwartaal van 2021 niet meegenomen. Het UWV stelde zich op het standpunt dat deze provisie in de referteperiode als bedoeld in artikel 2 lid 3 Besluit – de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2021 – nog niet verschuldigd was. Volgens het UWV werd de provisie pas verschuldigd na afloop van het kwartaal, dus na het einde van het dienstverband.

De werkgever heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar het UWV heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit vervolgens vernietigd en geoordeeld dat de provisie over het derde kwartaal van 2021 wel in de berekening had moeten worden betrokken. Het UWV heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Geschil

In deze zaak verschillen partijen van mening over de uitleg van de bewoordingen van artikel 2 lid 3 Besluit, in het bijzonder de zinsnede “verschuldigd in de twaalf maanden”. Kern van het geschil is de vraag of de transitievergoeding moet worden berekend op basis van hetgeen daadwerkelijk is uitbetaald “in” de referteperiode, of op basis van hetgeen is verschuldigd “over” de referteperiode. De tekst van artikel 2 lid 3 Besluit biedt hierover geen eenduidige duidelijkheid. Ook de toelichting is op dit punt niet ondubbelzinnig.

Oordeel

Uit artikel 5 van de Regeling looncomponenten arbeidsduur (Regeling) volgt onder meer wat onder de variabele looncomponenten bedoeld in artikel 3 lid 1 sub c Besluit moet worden verstaan. De in de Regeling aangewezen variabele looncomponenten, zoals bonussen, zijn looncomponenten waarvan de hoogte wordt bepaald door het functioneren van de werknemer, de resultaten van de onderneming, of een combinatie daarvan. Het ligt dan het meest voor de hand als maatstaf te hanteren welke aanspraak ‘over’ de referteperiode is ontstaan, ongeacht het moment van uitkering: het uitbetalingstijdstip is immers in zekere zin arbitrair.

Artikel 7:624 lid 4 BW bepaalt dat het in geld vastgestelde loon dat afhankelijk is van de uitkomsten van de arbeid – zoals provisie – moet worden betaald zodra het bedrag bepaalbaar is, staat hieraan niet in de weg. Dit artikellid doet er niet aan af dat de aanspraak op het variabele loon al eerder ontstaat. Voor de verschuldigdheid van de provisie is het dus niet van belang of de hoogte daarvan al bepaalbaar is.

De conclusie is dan ook dat de bewoordingen “verschuldigd in de twaalf maanden voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst” in artikel 2 lid 3 Besluit zo moeten worden uitgelegd dat het gaat om het recht op provisie dat in de referteperiode is ontstaan en dat voor het verschuldigd zijn van provisie niet relevant is of de hoogte daarvan (al) bepaalbaar is. Het UWV heeft de provisie over het derde kwartaal van 2021 daarom ten onrechte niet betrokken bij de berekening van de compensatie van de transitievergoeding. Het hoger beroep van het UWV slaagt niet.